Het hoofdstuk dat te laat kwam voor het boek.

“Hoe is het met je boek, Pim?” vroeg Carlo aan me.
“Dat is zo goed als klaar. Het verschijnt op 31 maart.”

Carlo was een oud-collega die ik nog regelmatig sprak nadat ik vertrokken was.

“Het is best een mooi idee als je werk door iemand beschreven wordt,” zei Carlo, “mooi ook voor mijn kinderen later.”

“Maar je weet nog niet eens wat er in het boek komt te staan,” zei ik.
Carlo antwoordde: “Dat vertrouw ik jou wel toe. Jij gaat denk ik geen mensen afbranden. En laat mij maar gewoon zien zoals ik echt ben, ook in mijn twijfels.”

Er waren ook wat oud-collega’s die er iets minder gerust op waren.
“Als je maar geen vilein afrekenboek gaat schrijven,” had een ander tegen me gezegd.

“Natuurlijk niet,” zei ik dan. Waarop ik dacht: dat bepaal ik zelf wel.

Een paar weken later vroeg ik aan Carlo of hij wilde optreden op de boekpresentatie.
“Carlo, ik heb mijn redacteur gevraagd om mij te interviewen op het podium. Het lijkt me mooi als hij eerst met jou – en nog een oud-collega – praat over hoe jij naar dit boek kijkt.”
“Lijkt me leuk,” zei Carlo.

“Wil je het boek vooraf lezen?” vroeg ik.

“Nee, ik hoef het niet vooraf te lezen. Ik wil net zo blanco in de zaal zitten als de rest.”

Een week later belden we weer.
“Ik heb het intern besproken,” zei hij. “Ze zijn er niet blij mee als ik bij jou op het podium kom. Het is langs de landelijke directie gegaan. Ze durven het me niet helemaal te verbieden, maar het wordt me wel sterk afgeraden.”

Meteen dacht ik aan een eerder voorval dat mij was overkomen. Een voorval dat ook in mijn boek staat. Het voelde als een déjà-vu.

“Waarom heb je eigenlijk toestemming gevraagd?” vroeg ik.

“Niet zozeer toestemming,"  zei Carlo, “maar zoiets moet je wel melden.”

“Wat is het verschil, als ze het toch kunnen verbieden nadat je het gemeld hebt?” vroeg ik.

“Niet verbieden, afraden,” corrigeerde Carlo.

Ik begon maar even niet over al die keren dat ik zelf extern gesproken had toen ik bij de Belastingdienst werkte en waarbij ik er lang niet altijd aan had gedacht om het te melden, laat staan om toestemming te vragen. Ik was immers Pim, en niet de Belastingdienst, als ik op een podium stond. Dat juist die gedachte blijkbaar uitzonderlijk was, bevestigde voor mij alleen maar dat ik inderdaad niet de Belastingdienst was. 

Carlo kende ik als altijd gedreven en hardwerkend. Maar hij was ook kritisch op de Belastingdienst en op zichzelf. En altijd met de intentie om de Belastingdienst en zijn collega’s te helpen, nooit om die in problemen te brengen.

Ik merkte dat hij nu door zijn eigen leidinggevenden in een lastige positie werd gebracht.

En net als toen mij het overkwam, voelde ik niet zozeer wrok of boosheid. Meer iets van mededogen, verwondering over wat deze mensen in leidinggevende posities ertoe bracht om zo te denken en zo te doen. Was dit een reflex om in control te blijven?

Ook de andere oud-collega Lian, die ik hetzelfde had gevraagd, kreeg vergelijkbare signalen van haar leidinggevenden.

Ik verzon een list: ik zou de twee oud-collega’s quasi spontaan op het podium vragen. Dan konden ze zich wellicht beroepen op het feit dat ze door mij voor het blok waren gezet. Ze gingen mee in het idee, maar hun aarzeling bleef voelbaar.

Later besloot ik het weer anders te doen. Hun welzijn was belangrijker dan mijn presentatie. Ik zou ze niet meer op het podium vragen.

Als alternatief schreef ik dit hoofdstuk. Alsof mijn boek nog een epiloog nodig had, buiten het boek om, want dat lag al bij de drukker.

Ik wilde het op de presentatie voorlezen als een hoofdstuk dat goed in mijn boek gepast zou hebben. Maar ik vroeg de oud-collega’s dus níet meer op het podium.

In het boek heten de betreffende collega’s anders dan in werkelijkheid. In dit nagekomen hoofdstuk veranderde ik zelfs hun verzonnen namen nog een keer. Een pseudoniem van een pseudoniem: een dubbele bescherming.

Carlo en Lian zouden die avond komen. En ze waren er ook. Gewoon in de zaal. Achter hun dubbele pseudoniemen.

Misschien was het een knieval voor de directie, maar dat nam ik op de koop toe.

Ik was weliswaar onafhankelijk, het was mijn directie niet meer. Maar nog wel de hunne.

Ik draag dit boek op aan mijn oud-collega’s.  In welke functie dan ook.
Dus ook in de directie.

 

Voor meer informatie over het boek: ga naar de homepagina